19-08-07

Sophisticated Lady (1/3)

Het was heet die dag. Bloedheet. Peter Vercruysse had de blinden van zijn kantoor helemaal dicht getrokken en zat in het halfduister. Achterovergeleund in zijn slechte kantoorstoel, das losgetrokken, zijn voeten op de openstaande lade van zijn bureau, stak hij een sigaret op en blies langzaam de rook naar boven. De ventilator stond op de hoogste stand, maar hij had het gevoel dat het niets hielp. Het was slechts warme lucht die verplaatst werd.Het dossier over die zigeunerbende zat hem dwars. Hij wist dat er iemand achter de meisjes met zuigelingen op straat stond. Iemand die hen uitbuitte. Het had geen enkele zin de vrouwen op te pakken. Ze deden op zich niet veel verkeerd tenzij af en toe een toerist lastig vallen. De mannen achter de schermen wilde hij. Maar de meisjes hielden de lippen koppig op elkaar. Ze wisten dat ze 24u vast gehouden werden, met wat geluk zelfs konden douchen en daarna weer op straat gezet werden. Als ze praatten, waren ze er erger aan toe.Hij keek op zijn horloge. Kwart over drie. Tijd om via internet naar Sporza te luisteren. Ondanks de dopingschandalen, bleef hij de Tour de France een spannend evenement vinden. Vandaag stond een zware alpenrit op het programma. Benieuwd of Tom Boonen zijn groene trui zou kunnen houden. Net toen de verbinding tot stand kwam, ging de deur open en kwam Guido Janssen binnen.
“Peter, er is…”, hij onderbrak zichzelf, probeerde zijn ogen aan het halfduister aan te passen en snoof luid. “Je weet dat je niet meer mag roken op kantoor. Als Van Melle hier binnenkomt, krijg je gedonder.”
”Van Melle kan de boom in. Hij wil geen geld uitgeven voor airconditioning, dan kan ik geen rookvrije kamer garanderen.” bromde Vercruysse, al was het verband tussen airco en roken niet meteen duidelijk.
“Maar ik denk niet dat je hier kwam binnen stormen om me de les te lezen over een sigaret.”
Guido Janssen keek naar zijn baas zoals hij daar zat in het door de blinden gefilterde zonlicht met bezweet overhemd, jasje over zijn stoel, das losjes rond de hals.
“Als je knapper was, zou ik zeggen dat je op Humphrey Bogart in “The Big Sleep” lijkt. Je weet wel, waarin hij Philip Marlowe speelde en Lauren Bacall leerde kennen.”
“Als ik straks Lauren Bacall mag kussen, is het ok voor mij. Maar waarom kwam je hier nu binnenvallen? Zonder kloppen nota bene.”
“Annemarie heeft net gebeld en gevraagd of we onmiddellijk naar haar kunnen komen.” antwoordde Janssen.
Het gezicht van Vercruysse lichtte op. “En wat wil de knappe roodharige dokter van ons?”
“De details weet ik niet. Ze sprak over een dode gisteren in het Schipperskwartier. In de Blauwe Hond. De eigenaar zelf.”
“De Rus? Hoe heet hij nu al weer? Ibraimovic?”
“Nee, lachte Janssen, dat is de eigenaar van de voetbalclub Chelsea. Deze is niet zo rijk, maar had ook een beroemde naam. Tsjechov.”
“Ja, dat was hem. Brute vent, grote mond, ongeveer even sympathiek als buikkrampen en diarree. Maar hoe komt het dat ze nu pas belt, als hij gisteren al dood was.”
“Dat weet ik ook niet precies, maar dat zal ze ons dadelijk wel vertellen.” 

Een kwartier laten kwamen ze in het mortuarium van het ziekenhuis aan. De receptioniste herkende hen en verwees hen naar het kantoor van Dr. Versweyfelt. Ze klopten en toen ze een ja hoorden gingen ze binnen. Dr. Versweyfelt, een mooie vrouw van vooraan in de veertig met een enorme bos vuurrode krullen, zat verwoed op een klavier te tokkelen. Toen Vercruysse en Janssen binnenkwamen, stopte ze onmiddellijk en stond recht.
“Fijn, dat je onmiddellijk kon komen, Peter.” Ze gaf hem een stevige handdruk.
“Your wish is my command, Annemarie. Dat weet je.” Vercruysse boog lichtjes voorover.
Versweyfelt ging niet in op zijn hofmakerij en kwam meteen ter zake.“Gisteren namiddag werd onze nooddienst gebeld door iemand in de Blauwe Hond. Je weet wel, die jazzclub in het Schipperskwartier. Een man, de eigenaar, was onwel geworden. Toen onze ambulance aankwam, konden ze niet veel meer doen.”
“Hoe laat was dat?” Janssen zat te noteren in zijn atomaschriftje dat hij altijd en overal bij zich had.
Versweyfelt, zichtbaar geërgerd door de onderbreking, keek in haar papieren. “Om 16u07 werd de 100 gebeld, om 16u18 waren ze ter plaatse.”
Janssen knikte en noteerde.
“Was hij dan al dood?” vroeg Vercruysse.
“Hij is onderweg naar het ziekenhuis gestorven.”
Vercruysse knikte begrijpend. Hij wist ook wel dat de noodarts vaak de dood pas vaststelde in de ambulance. Als hij de man ter plekke dood zou verklaren, zouden ze hem niet met de ziekenwagen kunnen vervoeren en moest er een lijkwagen gebeld worden voor het vervoer van het lichaam.
Versweyfelt vervolgde. “Het zag ernaar uit dat hij aan een hartaanval of een beroerte gestorven was, maar toen we vanmorgen een autopsie uitvoerden, vonden we bijna toevallig dit in zijn hals.”
Ze nam een klein pastic zakje van haar bureau en gaf het aan Vercruysse. In het zakje zat een klein metalen staafje, ongeveer 4 centimeter lang en een diameter van nauwelijks een millimeter met een scherpe punt. Hij keek verbaasd naar de dokter. Die keek hem recht in de ogen.
“Het lijkt op een piepklein pijltje. Het zat bijna helemaal in de hals, vandaar dat niemand het gemerkt had. Ik heb het laten analyseren en er blijken sporen van vergif op te zitten.”
Janssen floot zachtjes tussen de tanden en kon niet nalaten te spotten. “Indianen in Antwerpen. Dat ik dat nog mag meemaken.”
Versweyfelt negeerde hem. “Ik dacht dat ik dus bij jou terecht moest met dit nieuws. Mijn mensen zijn nog bezig met het onderzoek, maar ik denk niet dat ze nog veel zullen vinden. Tsjechov is aan vergiftiging gestorven. De juiste samenstelling van het gif, kan ik je morgen per mail laten weten. Hier is de naam en het telefoonnummer van de noodarts die hem ophaalde. Hij kan je misschien nog enkele details vertellen.”
Ze gaf hem een geel post-itblaadje, deed de kartonnen map dicht die voor haar lag en stond op ten teken dat het gesprek afgelopen was. Vercruysse en Janssen gaven haar een hand en vertrokken. In de gang zei Janssen half luidop. “Het is en blijft een bitch, maar wel een verdomd mooie.”
Vercruysse deed of hij het niet hoorde. 

Op de terugweg naar kantoor, Janssen reed omdat hij handig was in het drukke verkeer van de avondspits, zeiden ze geen woord. Vercruysse dacht aan Tsjechov en de Blauwe Hond. Hij kwam er regelmatig om naar de band te luisteren. Het was een kwartet van bejaarde mannen die speelden zoals je het enkel nog in de film kon zien. Hij vond dat ze een beetje op de Buena Vista Social Club leken, maar dan met andere muziek. En zonder het geluk dat iemand als Ry Cooder een film over hen kwam maken en de beroemdheid in schopte. Ze moeten ooit vrij succesvol geweest zijn, maar nu waren ze al jaren het huisorkest van de Blauwe Hond. Vercruysse was er niet eens zeker van of Tsjechov de mannen überhaupt betaalde. Ze speelden voor de muziek, de drankjes en omdat ze het publiek niet konden missen. Charles, de trompetist, een zo goed als blinde neger die beweerde uit St. Louis te komen, maar onvervalst plat Antwerps sprak, woonde in dezelfde straat als Vercruysse. Ondanks zijn hoge leeftijd, hij beweerde al een aantal jaren dat hij 82 was, en zijn handicap leefde hij alleen, samen met zijn hond, een oude zwarte labrador die hem overal volgde. Vercruysse kwam hem regelmatig tegen op straat of in de supermarkt en er was in de loop der jaren een soort van bizarre vriendschap tussen hen ontstaan.
Enkele maanden geleden had Tsjechov een jonge zangeres aan de band willen toevoegen. Het moest wat sexier worden had hij gezegd en hij stelde Irina aan hen voor. Irina was een bloedmooie, jonge Poolse. Waar Tsjechov ze vandaan gehaald had was niet helemaal duidelijk, maar in het Schipperskwartier kwam dat wel vaker voor. Ze had identiteitspapieren en een verblijfsvergunning, allebei al dan niet met het nodige lobbywerk verkregen, dus er was niets aan de hand.
Er was vrijwel onmiddellijk een speciale band ontstaan tussen de jonge knappe Irina en de oude blinde Charles. Haar stem en zijn trompet vonden elkaar en vormden een innig duo. Het leek of ze tot elkaar aangetrokken werden, mekaar dan speels weer afstootten. De trompet die haar stem kwam ondersteunen, haar streelde, de overhand nam om zich dan weer door dat prachtige geluid zachtjes opzij te laten duwen, haar heel even weer aanraakte, maar terug losliet om dan weer in elkaar te verstrengelen en naar een hoogtepunt te gaan. Een bijna erotische sound.
Iemand beweerde ooit gezien te hebben dat Irina uit de woning van Charles kwam, maar eigenlijk geloofde niemand dat er iets passioneels was tussen hen, tenzij liefde voor jazz. Een maand of wat geleden was Irina bij Tsjechov ingetrokken en het gerucht werd gesmoord.
(wordt vervolgd)

P.S. Toen ik dit gisteren postte, was me niet opgevallen dat de teksteditor van Skynet alle returns uit het oorspronkelijke document gehaald had. het was dus nauwelijks leesbaar. Waarvoor excuus.

16:29 Gepost door Joe Bradley | Permalink | Commentaren (3) | Tags: kortverhaal, antwerpen, jazz |  Facebook |

Commentaren

Hallo ik wens U nog een aangename zondag..liefs Hé dat is een heel verhaaltje dat ik zie staan . De moeite om terug te keren daaaaag

Gepost door: Athea | 19-08-07

Damn! Eigen makelij?? Ik heb vol bewondering gelezen! Ben inderdaad terug in 'den Belgiek'. Blij dat ik na 25u airborne te zijn, veilig en wel de grond weer raakte. Bedankt om nog eens te komen piepen (en je hebt me terug in je bloglijstje gezet, nietwaar?) :o) Tot binnenkort voor deel 2 van deze thriller. Volgens mij heeft Van Melle het gedaan met een koevoet in de kelder.
Tschuss!

Gepost door: Freggeltje | 19-08-07

Mooi Mooi verhaal. Laat u Versweyfelt misschien liever geen tweemaal opstaan zonder te gaan zitten. Een klein schoonheidsfoutje?

Gepost door: Roberto | 27-09-07

De commentaren zijn gesloten.