06-07-07

Life is a Lady (3/4)

Enkele dagen na haar stormachtige bezoek was Arianne inderdaad langsgekomen om enkele cd’s van hem te lenen en ze hadden de hele middag zitten kletsen en naar muziek zitten luisteren. Ze hield van klassiek, zei ze, maar had nooit de gelegenheid gehad echt goed uit te vinden welke componisten of welke stijl ze graag hoorde. ’s Anderendaags belde ze hem en vroeg of hij geen zin had een uitstapje te maken.
“In Italië is het zonde om op zondag thuis te zitten. Zelfs God rustte op de zevende dag.” zei ze en stelde voor om naar de abdij van Monteoliveto te gaan kijken.
De rit door de Crete Senese was indrukwekkend. De weg draaide tussen scherpe heuvels met diepe, door de erosie uitgesleten kloven en achter elke bocht veranderde het uitzicht. De graanvelden lagen te wachten op de lente en vertoonden een rijk palet aan schakeringen tussen grijs en bruin, hier en daar onderbroken door het grijsgroen van een struikje of een cypressenrij. Ze stopten vaak om gewoon zwijgend naar het natuurspektakel te kijken. Doordat ze traag vorderden moesten ze de abdij in een drafje bezoeken, want ze waren nog geen tien minuten binnen, toen hen al gevraagd werd voort te maken omdat de deuren sloten. Op de terugrit aten ze in een kleine trattoria in Rapolano Terme. Er was geen menukaart, maar de eigenaar, een kleine man met een grote buik en sympathieke pretoogjes, vertelde wat zijn vrouw die dag allemaal kookte.
“Kortom, je eet wat er is, maar maak je geen zorgen, het is hier allemaal lekker.” lachte Arianne hem toe.
Ze raadde hem echter de huisgemaakt pici met vleessaus, een specialiteit van streek rond Siena aan. Ook het hoofgerecht, een dampend bord rundsmaag met tomaten, erwten en witte bonen, smaakte heerlijk en Arianne had rode wangen gekregen van de warmte in het restaurant en de huiswijn. Toen hij haar ’s avonds afzette voor het huis van haar ouders, waar ze ondanks haar leeftijd en haar afgewerkte studies geschiedenis en archeologie nog steeds woonde, gaf ze hem twee zoenen op de wang, zei dat ze genoten had en verdween achter de hoge haag.

 

De volgende weken brachten ze veel tijd samen door, ondanks Willems goede voornemen om met veel discipline aan zijn vertaling te werken.
“Nu je hier bent, moet je gewoon zien wat er hier allemaal te beleven valt”, had Arianne zijn gewetensbezwaren weg gewuifd. Ze liet hoekjes van Siena zien waar hij nog nooit geweest was. Ze reden naar de indrukwekkende abdijruïne van San Galgano, waar de heilige Galgano in de Middeleeuwen een zwaard in een rots stootte en meteen zijn wapenuitrusting over de haag gooide om een monnikskap aan te trekken en zijn leven aan god te wijden. Ze bezochten Arezzo met zijn marktplein en zijn steile steegjes, de beroemde dorpjes van de Chianti Classico, San Gimignano dat nu een heel andere aanblik bood dan in de zomermaanden wanneer het door de vele toeristen op een kermis lijkt, Cortona dat sinds de boeken van Frances Mayes door de Amerikanen overrompeld wordt. Arianne leidde hem overal als een perfect voorbereide gids rond en Willem liet zich makkelijk en met veel plezier meeslepen door haar enthousiasme.
Tijdens één van hun ritten vroeg Willem hoe een geschiedkundige als kelner in een trattoria terechtkomt.
“In de zomer werk ik in de agriturismo van mijn oom, daar kan ik mijn talenkennis gebruiken, maar in de winter is er nauwelijks werk, dus help ik Claudio.” antwoordde ze. “Maar eigenlijk is het antwoord op je vraag heel eenvoudig. Ik was en ben nog steeds dol op Egypte en zijn cultuur, heb mijn eindwerk over de Egyptische collectie in de musea van Berlijn geschreven en kreeg na mijn studies een studiebeurs te pakken om een doctoraat te schrijven aan de universiteit van Caïro. Een jaar heb ik het er volgehouden, maar ik had heimwee. Ik miste mijn heuvels, mijn wijngaarden, mijn mensen, mijn dorp. Ik ben een kind van deze streek en hou ervan. Weet je wat ik nog het meest miste daar in Egypte?” vroeg ze lachend.
“Cypressen.” en ze wees naar een mooie rij slanke cypressen waarachter net de zon onderging.
Willem remde en ze bleven zwijgend naast elkaar naar het spektakel kijken.

 

De koekoek op een metalen veer, die absoluut wilde komen vertellen hoe laat het was, deed hem opschrikken uit zijn overpeinzingen. Intussen kwam ook De Maeght door de lage deur het restaurant binnen.

“Je zat te dromen, hé.” riep hij. “Frau Schmitz, voor mij bitte ook een glas. U mag eigenlijk meteen een fles brengen. Heb jij al besteld, Willem? Wat schaft de pot vandaag?”

Ze keken de kaart in en kozen beiden voor het menu van de dag. Nog voor ze iets konden bestellen bracht mevrouw Schmitz een Gruss aus der Küche. Een klein bordje met enkele blaadjes veldsla, daarop een schijfje gebakken appel en een stukje ganzenlever, afgewerkt met enkele druppels balsamicoazijn en wat zwarte peper. De Maeght was duidelijk in zijn nopjes.

“Zeg, maar ik heb nog steeds niet helemaal begrepen wat je daar nu een hele winter bent gaan doen. Wat had je gezegd, een boek schrijven?”

“Nee, niet echt. Vertalen. Enkele jaren geleden verscheen in Italië een echt goede thriller. Ondanks het feit dat thrillers de laatste jaren enorm goed in de markt liggen, was het ding nog niet in het Nederlands vertaald. Via een kennis had ik een uitgever gevonden die het wil publiceren, al had hij geen budget om een werkbeurs te betalen. Bovendien hoopte ik er een beetje rust te vinden. De winter in die streek is trouwens heel mooi.”

“Hmm.” zei De Maeght terwijl hij de wijn in zijn glas liet walsen en naar de tranen keek die langzaam van het kristal naar beneden liepen. “Je weet dat voor mij de winter enkel mooi is rond de evenaar. Het grote probleem is dat je er niet met de auto geraakt. Maar misschien begrijp ik je wel. Die Blauburgunder is trouwens heerlijk, vind je niet?"
Op dat ogenblik rinkelde de gsm van De Maeght. Hij keek verontschuldigend naar Willem en liep het restaurant uit terwijl hij op het groene horentje drukte.

(wordt vervolgd)

23:13 Gepost door Joe Bradley | Permalink | Commentaren (0) | Tags: toscane, italie, zwarte woud, eten, kortverhaal |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.